• Minke Siesling

'De baby is er, kom je?'


Dit hoor ik een vader in paniek zeggen als ik opneem. Terwijl ik richting badkamer loop en onderweg kleren aantrek die ik op goed geluk bij elkaar gris, vraag ik hem wie zijn vrouw is en of hij nog eens wil herhalen wat hij net heeft gezegd. ‘Dat de baby er is!’ En dat ik langs de achterdeur mag binnenkomen.

Halverwege de felverlichte tuin, terwijl ik als een volleerd klimmer met materiaal op mijn rug over een hek kruip en op een richel langs het raam klauter, besef ik dat ik de verkeerde kant rond het huis heb gekozen. Als ik uiteindelijk binnenkom zie ik haar zitten op een krukje in de badkamer. De baby tegen haar borst gedrukt, een handdoek over hem heen, een lach op haar gezicht. Voor haar op de grond de placenta.


Even later dweil ik de wc, die eruitziet alsof er een ballon met vruchtwater en bloed is ontploft. En glimlach ik in mijzelf hoe ik als vroedvrouw vaak randtaken doe die niet direct in een opleiding aan bod komen.

Hoe ik met een peuter op de arm een vrouw help haar weeën op te vangen.

Hoe ik in kleerkasten op zoek ga naar een onderbroek die groot genoeg is voor het kraamverband.

Hoe ik help haar haren te wassen net na een bevalling en we nog even praten over wat even daarvoor gebeurd is. Zij verbaasd over haar lege buik wrijft, zuchtend hoe heerlijk het is nu even te kunnen douchen.


Als ik bij zonsopgang weer naar huis rij besef ik hoe uitzonderlijk mooi hetgeen is ik heb mogen zien. En denk ik aan die anonieme Londense vrouw begin twintigste eeuw. Die op het einde van een steegje al hurkend haar baby op de wereld zet. Waarna er een jonge arts voorbijkomt die haar lachgas aanbiedt om de pijn te stillen en zij deze weigert. En als hij haar achteraf vraagt waarom ze het weigerde zegt:


‘It didn’t hurt, it wasn't meant to, was it, doctor?’

Het barende leven zoals het is,

zoals ik het uitzonderlijke voorrecht heb het te mogen zien,

zoals het nog kan bestaan als zij haar ruimte krijgt.




43 keer bekeken